RICHTLIJNEN VOOR HET OPZETTEN VAN EEN STAMBOEK (Dutch Version)

Added: 2007-10-20

Wanneer iemand een nieuw ESF stamboek zou willen starten en daarvoor een voorstel aan de board zou willen doen, verdient het aanbeveling vooraf de richtlijnen daarvoor te raadplegen.

Uitgangspunten

Voorkomen moet worden dat niet involle of genetisch niet kansrijke stamboeken worden opgeet, immers een kansloos stamboek levert uitsluitend frustratie op. Daarom ijn een aantal belangrijke uitgangspunten/voorwaarden geformuleerd. Bedenk dat dit richtlijnen ijn, waar door de board in voorkomende gevallen dus (gemotiveerd) van afgeweken mag en kan worden.

Dee richtlijnen worden hierna weergegeven met daaronder de motivaties.

  1. Er dienen voldoende bloedlijnen beschikbaar te ijn. Uitgegaan wordt van een minimum van 10 bloedlijnen per stamboek; bijvoorkeur meer. n dier uit het wild vormt n bloedlijn voor de stamboekpopulatie.
  2. Bij soorten waarvan slechts een beperkt aantal bloedlijnen beschikbaar is, dient het aantal ingeschreven bloedlijnen een redelijk deel van de naar verwachting in Europa aanweige bloedlijnen te vertegenwoordigen. Er wordt dus standaard een globale schatting van het aantal bloedlijnen in Europa gevraagd.
  3. Er dienen meerdere houders ingeschreven te ijn in het stamboek.
  4. Alle ingeschreven dieren dienen legaal in het beit van de houder te ijn.
  5. Er dient te worden voorkomen, dat eventuele niet in het stamboek ingeschreven dieren in contact kunnen komen met stamboekdieren.
  6. Stamboeken worden in eerste instantie opgeet voor bedreigde en beschermde soorten.
  7. Iemand die (co)stamboekhouder wil worden dient  1e- kennis en ervaring met de betreffende diersoort te hebben,  2e -communicatief en coperatief te ijn ingesteld en 3e- goed met een computer en computerprogramma`s te kunnen werken.

Motivatie

  1. Er dienen voldoende bloedlijnen beschikbaar te ijn. Uitgegaan wordt van een minimum van 10 bloedlijnen per (deel)stamboek. Bijvoorkeur meer.
    Binnen de ESF wordt met name gewerkt met lange termijn strategien. Als minimum basis wordt uitgegaan van 4 generaties. Om 4 generaties onder inteelt te kunnen realiseren ijn 8 bloedlijnen noodakelijk. Uit praktische overwegingen (verlies van bloedlijnen) is echter gekoen voor een minimum van 10 bloedlijnen. Indien noodakelijk kan met dit aantal ook met een iets hogere maar waarschijnlijk nog steeds aanvaardbare inteelt 8 generaties gehaald worden. Maar hier geldt toch hoe meer bloedlijnen hoe beter de ESF doelstellingen kunnen worden bereikt.
  2. Bij soorten waarvan slechts een beperkt aantal bloedlijnen beschikbaar is, dient het aantal ingeschreven bloedlijnen een redelijk deel van de naar verwachting in Europa aanweige bloedlijnen te vertegenwoordigen.
    Het kan voorkomen dat voor soorten het wenselijke aantal bloedlijnen niet realiseerbaar is en dus al vrij snel inteelt moet worden geaccepteerd. Dit is in de ogen van de ESF alleen dan acceptabel indien er redelijkerwijs binnen Europa ook geen extra bloedlijnen beschikbaar ijn of kunnen komen. Voorkomen moet worden dat door de beperkte beschikbaarheid van bloedlijnen binnen het stamboek inteelt moet worden toegestaan, terwijl dat buiten het stamboek nog niet nodig is; het stamboek ou in on geval dan duidelijk ijn doel voorbij schieten.
  3. Er dienen meerdere houders ingeschreven te ijn in het stamboek.
    Een volledige stamboekpopulatie bij n houder en dus waarschijnlijk op n locatie is eer gevoelig voor een calamiteit, oals uitbraak van iekten, brand, diefstal, overstromingen, en. kan de volledige stamboekpopulatie wegvagen.
    Ook indien een houder de dieren op meerdere locaties houdt, kan hij voor de verspreiding van iekten orgen. Daarnaast heeft een stamboek met slechts n deelnemer geen meerwaarde. De registratie is volledig afhankelijk van dat ene individu en de rapportage dan primair ook voor datelfde individu. Verder is dit eveneens in strijd met het ESF streven naar een samenwerking van een stamboekhouder en een co- stamboekhouder in het managen van een stamboek. Meer stamboekdeelnemers maakt meer kennis en ervaringen mogelijk. Daarom wordt de situatie van maar n houder niet wenselijk geacht.
  4. Alle ingeschreven dieren dienen legaal in het beit van de houder te ijn.
    Dee voorwaarde spreekt geheel voor ichelf. De ESF verwerpt illegale importen van dieren uit het wild en wenst ook een betrouwbare gesprekspartner voor overheidsinstanties en verenigingen en organisaties te blijven.
  5. Er dient te worden vorkomen, dat eventuele niet in het stamboek ingeschreven dieren in contact kunnen komen met stamboekdieren.
    Essentieel binnen het managen van een stamboek is dat de in het programma ingevoerde informatie volledig en correct is. Dat betekent dat alle potentile ouders van een nakweekdier, geboren bij de stamboekdeelnemer, op enige wije ingeschreven dienen te ijn in een stamboek. In dit licht is elke deelnemer aan het stamboek verplicht al ijn dieren van de betreffende soort in te schrijven.
    Uiteraard is hiervan de bedoeling te voorkomen dat er niet herleidbare nakweek ontstaat.
  6. Stamboeken worden in eerste instantie opgeet voor bedreigde diersoorten.
    Dee richtlijn geeft directe uitvoering aan de doelstellingen van de ESF en hier ligt dan ook de absolute prioriteit. Dat neemt niet weg, dat stamboeken voor niet- bedreigde en niet- beschermde soorten eveneens kunnen worden geaccepteerd. Stamboeken voor soorten, die in eer grote getale in Europa voorkomen ijn niet wenselijk en in de praktijk niet levensvatbaar.
  7. Iemand die (co)stamboekhouder wil worden dient 1e- kennis en ervaring met de betreffende diersoort te hebben, 2e- communicatief en coperatief te ijn ingesteld en 3e- met een computer en computerprogramma`s te kunnen werken.
    Van een (co)stamboekhouder wordt een redelijke deskundigheid betreffende de diersoort verwacht. Hij is de spil in het stamboek, die op een coperatieve en communicatieve manier samenwerkt met de board en de stamboekdeelnemers. Samen met de stamboekdeelnemers brengt de (co)stamboekhouder ijn stamboek op een verantwoord niveau door met name:
    De stamboekhouder en de co- stamboekhouder bepalen geheel vrij in onderling overleg wie welk taakonderdeel op ich gaat nemen.